pijpelijntjes
Thuis.
De vierkantkleine voorkamer volbloemig, boeketten van de huisjuffrouw en van d'r man, en van de meisjes met Alex en van juffrouw Meks en van Sam met mij. Stijfrecht kleurbloemig-den ze op tafel, onze vooraan, daarachter een, daarachter twee. De kamer druk van mensen en ruw praten door mekaar, kletsende. De vrije man in een bebloemde luistoel1 gezakt, slapmoe z'n ogen schijnlichteloos met donkere kringen erom.
Bij de stoel 't stomme strompelmeisje hardhuilende, moeilijk losstaand op haar stukgekromde beentjes, zwaar-zeggend 'vader. .. vader'. De man stil, zonder beweging weggezakt. Tegen mij juffrouw Meks angstig:
- God, wat zou d'r zijn, ik zal maar gauw koffie laten schenken, dat verdiverteert nog eris wat, we eten bij u op de kamer ... dat was toch afgesproken?
- O, ja... 't zal de vreemdheid zijn, dat trekt wel weer gauw bijStilte door 't ratelende rumoer schreeuwde huisjuffrouw en ze duwde bleke Toos naar voren, kleintjes en bleeklachend, met telkens wisselende koonkleurtjes. Dan huisjuffrouw deftig:
- Ik vraag een momentje stilte en aandacht voor de jongejuffrouw Toosje de Bree, die een kleinigheid voordragen zal.
Spanningstilte daarna plotseling achter het luide praatru-moer, de huisjuffrouw dicht bij me vlugfluisterend.•
- Luister u nou d'ris goed, luister u nou d'ris dubbel goed en zeg u dan eris, hoe u 't vindt... 't versie is van mij.
En vlugratelrammelend begon bleke Toos:
Vader, we zijn zeer verblijd, Dat ge nu gekomen zijt Van de verre Duitse stranden...
i. De stoel is met bloemen versierd
181