JACOB ISRAËL DE HAAN
't Rollen van de rijtuigen overratelde ons praten en we zaten stil gedwee heen en weer geschud met grote schommelingen als de kar door 'n kuil keilde.
Reguliersbreestraat.
- Nou moet u op dat balletje drukken, dan houdt-ie wel op.
- En de anderen dan?
- O, wij rijen immers vooruit, dan laat ik de andere kar ook stoppen, laten wij d'r maar met z'n tweeën ingaan.
De donkere bazar binnen. Voor de deur in de lichte zonstraat de twee rijtuigen. Uit portierraampjes lachschreeuwpraatten tante Christien met Anna.
- Laat ik nou maar betalen, zoveel is 't niet.
- Nee... ik heb nou zijn geld immers... laten we maar gauw wat nemen... zo'n poppie bevoorbeeld.
Met z'n vijven weer in 't broeihete hotsbakje. Juffrouw Meks gaf instructies:
- Asje nou thuis komt, dan geefje dat an Toos en je zegt, dat je dat mee uit Duitsland hebt genomen.
Maar de man vertriestigde stil, z'n ogen grijsden staarbleek, hij zei niets meer en wij zeiden niets. Door 't voorraampje keek ik uit, zag Alex' broek, die stuk was van onderen, omdat-ie altijd ansloeg1.
Zachtjes praatte de vrije man weer, rillend tussen ons in:
- Die dirrecteur is 'n pestkreng, u moet horen, hoe die de mensen behandelt, net of 't geen mensen zijn, as-ie de pest niet krijgt, wil ik 'm wel voor 'm kopen.
- Zeker van je uitgaanskas, grappigde Meks, maar hij zat loommoeiig.
- Juffrouw Baaiman en d'r zoon kommen ook, begon juffrouw Meks killig, zal je d'r an denken, dat je d'r niet over praat?
- Nee.
i. Vuil werd? bleef haken?
180