XVIII. CELBOEF
Het station somber en druk, maar de trein voor, dadelijk toen we er waren. Dan een prettige feestverrassing voor hem, het rijker reizen in de tweede klas. En de trein weg.
De gevangenis, rondkoepelend hoog, waar de wolkvrije lucht strak achter blauwde met de ramen sarrende star recht gerijd in de nieuwe muren.
- Ziezo... adjuus, die hoop ik ook niet meer van binnen te zien.
Hij rolde zich heen en heen in 't zonnige hoekkussentje, prettig en behaaglijk.
- Dat kan ik u gewoonweg niet zeggen, hoe 'n mal gevoel dat nou is... net of je ogen heel anders kijken... jeses, wat is 't daar ellendig, maar nou is 't geleeën.
Voor 't zonnige portierraampje zat juffrouw Meks strak uit te kijken.
- Ik ben zo blij... net zo blij as 'n kleine jongen... en ik vind 't zo heerlijk, dat u mee bent gekomen om me te halen... is de andere m'neer d'r niet?
- Meneer Sam? Nee die is straks aan 't station met Anna en de anderen.
Hij schudde weer in z'n warme fluwelen hoekje:
- Wat leuk, god, wat leuk as d'r zoveel lui om je kommen, ik dacht eerst, dat iedereen me met de nek an zou zien.
- Och wel nee, waarom nou.
Dan een zwijgen weer, over 't wijdinnige veld keken we uit,
177