JACOB ISRAËL DE HAAN
- Nou, en dan zal u m'n man deris zien, u begrijpt as die thuis komt, dan maak ik een hele partij.
Ze huilde weer zachtjes en ik keek haar aan en toen lachte zij met tranen.
-Ja, kijk u me maar aan... beter, dat ik nou huil as strakkies, waar hij bij is en de anderen... u begrijpt voor hem is 't een feestdag en voor de kinderen ook.
- O, maar uw tijd zal ook wel kommen.
Met z'n drieën dan weer gingen we naar 't station, de zonzome-rige stad door, hij langzaam met telkens prettig proeven van z'n frisse vrijheid en vreemd weer in z'n wijder bewegen bekeek hij alles. De huizen van boven tot onder en dan terug weer en de trams en de wit-en-blauwe lucht...
- Ik zie weer huizen... ik zie weer mensen... god, wat is dat heerlijk om weer helemaal buiten te zijn.
176