JACOB ISRAËL DE HAAN
Voor tienen waren we terug op 't schaduwloos dolzonnige plein voor de gevangenis.
- Laten we in die kattekroeg hierover afwachten totdat-ie komt.
- In dat koffiehuis?... Nee, laten we maar d'rvoor blijven heen en weer lopen, dan is-ie direct bij ons.
Toen begonnen we heen en weer te lopen, op 't lege pleintje, waar zon barwit gloeide... van de andere kant kwamen twee mannen, keken 't vlakramige stenenhuis aan en begonnen ook te lopen... inde sta d sloeg de ene klok tien uur, eventjes daarna de andere.
- Nou komt-ie gauw.
- Hij moest d'r al zijn... wat zegt u d'rvan, geen menuut schenken ze je... god... wat zal nou me man voelen, die weet, dat Bree d'r uitkomt vandaag. Hij hèt 't me nog zo geschreven, dat ik niet verdrietig moest zijn en feestmaken vandaag, maar waarachtig m'neer ik kan 't niet... me hart breekt as ik nou an m'n man denk.
De deur ging open, langzaam breedbruin. We waren er juist vlak voor. Met een duusdsprongetje sprong juffrouw Meks op zij... hij was 't niet. Oud manneken grijsjes... die even beduusd rondkeek in 't open stratenlicht en toen naar de twee mannen ging, die 'm meenamen kalmpjes naar stad toe. Wij hadden 't wachten nog; liepen niet meer, stonden stil tegen de muur aan. De meid uit 't directeurshuis keek naar ons en de vrouw van de onderdirecteur... van de overkant uit de huizen keken ze naar ons.
- Hoe vindt u dat... zo stanen we hier nou voor hun lol te kijk, ziet u dat daar... ze staan ons zo te bekijken of 't zo hoort... ziet u dat nou...
Weer deuropen. Een jongen, maar die alleen. Geen mens om op hem te wachten. Over 't zonnige plein liep hij rechtweg,
174