PIJPELIJNTJES
Daar aten we onze boterham en zaten paisibel in de schaduw-vochtige Hout, die de morgenschijn nog niet gedroogd had. En juffrouw Meks dan opeens:
- M'neer Driesse, vóór dat De Bree d'r uitkomt, moet ik u nog wat zeggen... m'n man zit ook daar.
- Uw man...
En zij snelsprekend en schelroodkleurend:
-Ja, me man... ik zal u nou maar alles vertellen... ik ben wel getrouwd... en me man hèt met De Bree meegedaan, die was ook an de post en die komt d'r eerst over een jaar uit... en daarom ben ik nou zo verdrietig... dat begrijpt u wel...
-Ja... dat is lam.
- Laat u me maar uithuilen, laat u me maar uithuilen... u begrijpt nou juist vandaag is 't 't ergst; nou moet ik tellekes an m'n eigen man denken... dat maakt me zo naar.
-Ja... het is lam.
- Ik ben zo blij, dat u bij me bent... ik denk ik zal 't u maar vertellen, ik kan 't waarachtig niet over m'n hart krijgen, u nou nog langer voor de gek te houden.
- Toe huil u nou niet zo.
- Nee, we zullen maar gaan.
Vreemd en moe-doelloos doorzwierven we de houtlaantjes door waar alles droogde en de middendag te warmen begon. Juffrouw Meks huilde niet meer:
- U zal zien, nou ik uitgehuild ben, nou huil ik de hele dag niet meer... en over een jaar komt me man zelf toch ook vrij... vindt u 't niet mal, dat ik getrouwd ben?
- Welnee, waarom u niet net zo goed as 'n ander?
- Ik heb 't u maar zolang niet verteld, maar nou zeg ik 't maar, omdat u anders nog heel wat denken zou van De Bree en mijn, een hokpartij of zo.
173