PIJPELIJNTJES
- Zo, ik zou 't van een ander niet geloven, ik kan toch best liegen. .. alles.
- Dat weetje van je zelf niet... je moet alles maar geloven... maar we gaan slapen hoor, Joop, heb je 't briefje op de mat gelegd ... zie je boy, dat doen we altijd, als we laat geroepen moeten worden of helemaal niet.
In 't kamerdonker lag ik en staarde, dacht aan de vreemdheid van die jongen. Nou sliep hij zeker al... hoe zou-d-ie liggen... met z'n hoofd schuin van 't kussen afgezakt en met z'n arm erom gebogen... zou-d-ie gelogen hebben... nee natuurlijk... wat 'n mal gezicht, dat veroude haar over z'n jonge blauwe ogen... zou-d-ie slapen?
Met m'n slaapwarme voeten op 't koudgladde vloerzeil rilde ik... waarom was ik niet blijven liggen... nou rustig zijn, niet naar hem toe gaan. Rillend zat ik op de canapé, zou Sam slapen ... jé, hoe laat was dat... vier uur al. 't Begon te lichtschemeren buiten... toch even kijken, hoe hij sliep. En zachtjes liep ik naar de alkoof, Sam sliep... de jongen lag stil op 't witscha-duwende kussen.
-Jo... slaapje?
- Nee.
- O, ik dacht 't.
Wat moest ik nu? Hij vond 't zeker vreemd, dat ik daar stond, we zeiden niets, maar dan hij 't eerst:
- Hoor eris... kom eris hier.
Zwakbevend zat ik op de rand van 't ledikantbed, in de kamer lichtte het morgengloren dagender...
- Hoor es... hoor es...
-Ja, wat is 't?
- Buig je nou d'ris dicht naar me toe... zo... nee dichter...
- Toe, nee, niet doen... Sam slaapt hier vlak bij... als die wakker wordt.
165