JACOB ISRAËL DE HAAN
Maar de jongen liet het niet. Hevig drukte hij me tegen zich aan, 't harde kloppen van z'n hart voelde ik door z'n hemd heen, zijn adem hijgde heet langs m'n wang en hij zoende mij... zoende mij.
- O, wat ben je lief, wat ben je lief... ik hou altijd zoveel van jongens... je bent zo lief... daarom wil ik altijd bij je blijven...
Driftig drukte hij mij tegen zich aan en viel hijgend in z'n bed terug. Superieure blijheid glansde in me op, dat was voor 't eerst een die mij liefhad en ik hem. Rilwit in 't dagender morgenlicht zat ik op z'n bed...
- Toe, ga nou wat slapen nog... je moet nou kalm zijn...
- Hou je dan van me?
-Ja, zeker, ik hield dadelijk van je, toen ik je zag.
- Ik van jou ook... blijven we nou altijd samen?
-Ja, zeker... maar ga nou wat slapen nog.
-Ja... geef me dan eerst 'n zoen.
En kalm gaf ik hem 'n zoen op z'n mond, en hij fijnvleiend:
- Ik zal nou nooit meer dronken zijn ook, heus niet, nooit meer...
- Nee, dat moetje ook niet, slaap lekker hoor.
- Dag... dag... dag.
Daar lag ik weer op de bedcanapé, maar prettiger, 't was heel licht nu al... 't gordijn maar wat ophalen, dan kon ik lekker uitzien, binnenkijken kon je toch niet. Wat was 't lekker fris buiten, 't had zeker geregend... diejo, wat was 't toch 'n mooie fijne vent... ja zeker, hij moest bij ons blijven. Sam moest 't weten, och wat die Sam, wie weet, wat-ie zelf dee, hij zou mij ook wel 't naaste vertellen, maar ook 't allernaaste niet... gek, datje dadelijk zo veel van iemand houën kon... Wat zouën we vandaag doen? Nee vandaag rustig blijven en werken. En nou gaan slapen... nee eerst nog even kijken of-ie sliep, 't Alkoof was licht nu al. Sam lag stil.
!66