JACOB ISRAËL DE HAAN
komen, want dat-ie me d'r gewoon uit zou trappen. Dat was alles, wat-ie me schreef. Later heb ik 'm nog wel eris geschreven, maar hij heeft nooit 'n woord geantwoord... nou en vandaag ben ik d'ruit gekomen... zo mal, als je ineens weer vrij bent en dat je weer mensen ziet en alles weer gewoon... d'r was niemand om me te halen, nou en de rest dat snap je wel, jullie bent ook niet van gisteren, me vader hèt me gewoon 't huis uitgegooid, en toen heb ik me opgezopen.
Zwijgend zaten we dan bij mekaar, langs z'n wangen liepen langzame tranen.
- Ik heb nog wat geld, niet veel hoor, zal ik nou maar bij jullie blijven?
-Ja, dat 's best, dat vindt Joop natuurlijk ook goed.
- Dan ben ik weer thuis, 'k vind 't hier zo leuk, ik zal wel werk zoeken, dat gaat best... zeg, vin-je die grijze haren niet mal voor 'n jongen van twee en twintig?
- Zo erg is 't niet.
- Hele grijze dotten... toen ik 't van morgen in 't bureau zag schrok ik toch zo... je hebt daar geen spiegel, je kan je wel zo'n beetje in je etensblikkie spiegelen... is 't geen mal gezicht?
- Och, welnee.
-Jawel... ik heb een jong gezicht en dat oude haar d'rboven, dat is zo mal.
Weer zwijging. Buiten miauwde Mie voor 't raam, Sam deed 't op, in de nachtstilte schooft vreemd open en dicht weer. Ik rilde.
- Laten we naar bed gaan, 't is al zo verschrikkelijk laat, ik zal wel effen een papiertje voor de deur leggen, dat ze ons morgen niet moeten roepen.
—Ja, we gaan naar bed. Joop, Jo krijgt jou bed, dan keren we de canapé om, daar kan jij op slapen en dan hou ik m'n eigen vlooienmand.
- Zeg, gloven jullie alles wat ik verteld heb?
-Ja, natuurlijk, Joop ook, dat 's nogal glad.
164