JACOB ISRAËL DE HAAN
zoende ik zacht en weer en weer... met mijn hoofd op z'n borst bleef ik liggen en huilde toen Sam binnen kwam.
- God... maar Jopie... wat is dat nou?
- Stil hij slaapt... je moet stil zijn... dan zal ik je alles vertellen ...
- Wat moeten we d'r nou mee?
- Laten we maar wachten, tot-ie wakker is... niet wakker maken hoor... wat 'n mal gezicht hè, dat gewitte haar... hoe oud zou-d-ie zijn?
- Ach jij... jij bent weer verliefd op 'm, je kan geen jongen zien, of je wordt verliefd op 'm.
-Ja... ja, dat is zo. 't Is lam, maar 't is ook m'n enige vreugd nog.
-Ja... 't is lam.
Hij was wakker geworden, de dronken jongen, vreemd nog verduizeld door de jenever, en hij lag heel slap op de canapé met z'n moe we ogen heeldicht.
- Heb je me toen naar binnen gebracht?
- Ja... je was zo dronken en de jongens deeën zo mal om je heen... maar eet nou maar eerst wat.
Hij at prettig, 't Was twee uur en we hadden soep gehaald en gehakt in de bus bij Fuente, de fijne soepdamp omwalmde om de lamp heen en om z'n witte gezicht.
- Wat is 't hier prettig. De jongen schouderschokte tevreden, wat 'n grappige platen heb jullie daar.
—Ja, die heeft Sam voor me gekocht... zie je Sam heet eigenlijk Arnold, maar we noemen 'm altijd Sam.
- O, dan zeg ik ook Sam.
De jongen at niet meer, loomstaarde het geluwgele lamplicht in, z'n arm op de tafel met de blinklichte lepel... naar 't glimplekje daarop tuurde ik.
162