PIJPELIJNTJES
spatte op z'n wang uit... en hij doofloom voelde ernaar met z'n matte hand, bestreek z'n witte gezicht, smeerbruin. Ze begonnen aan hem te trekken, an z'n jas, an z'n broek... grepen hem beet schunnig en de ene jongen schreeuwgilde weer:
- Douw 'm 'n pruim in z'n broek... wie 'm burgemeestert krijgt van mijn 'n dubbeltje.
Wilde smart schrijnde in mij, en tegen juffrouw Meks zei ik hevig:
-Juffrouw Meks, dronken of niet... die jongen neem ik in huis zolang...
- Zoas u wilt... gut; u hoeft zo niet te kijke... zoas u wilt.
Zachtjes liep ik naar hem toe en tilde hem op, zwaarslap hing
hij tegen me aan:
-Juffrouw Meks, doet u de kamerdeur even open.
Langs mijn wangen welde warme jeneverlucht. Buiten riepen de straatjongens hoera. Ik droeg hem alleen. Slapwit lag hij op de canapé, de kamer was heel donker geworden nu, 't licht van buiten zachtgrijsde op z'n bleek gezicht met 't bruine tabakskwalster.
- Blijft-ie hier?
- 'k Weet 't niet, hij hèt 't goed beet... as m'neer Sam komt zullen we wel zien... steek u de lamp maar even op... nee niet de grote... ik zal mezelf wel verder helpen.
Heel moe en vreemdvoelend voor de nieuwe dronkene jongen keek ik hem aan... bruine spatvuil streepte zachtjes over z'n wang uit naar beneden... even maar afvegen. Dicht boog ik over hem heen... de witte jeneverlucht goordampte zwaar z'n mond uit. Maar wat was hij fijn... z'n ogen blauw en z'n haren zwart... maar wat grijs. Hoe oud zou-d-ie zijn? Zeker nog jong... maar zijn haar was grijs, witte vegen in 't langhangend zwart. Vreemd het oude haar over z'n jonge hoofd. Hij sliep vast en diepademend.
Toen bukte ik over hem heen, zijn roodwarme jenevermond
161