JACOB ISRAËL DE HAAN
we eten... uit de bus maar van Fuente... soep en worteltjes... nee... Sam moest 't zelf maar zeggen... En prettigmijmerend helemaal zonder pijn, kwam ik bij huis.
Maar voor de deur een opgestoten zood mensen drukdringend door mekaar, straatmensen zo maar huisuit gelopen, om eens even te kijken en vreemde voorbijlopers, die blijven staan en neerzien. Het was een jongen. Over de ronde hekrand lag hij neergeslapt en diep gebogen z'n hoofd, waarvan niets te zien was dan haar. Om hem heen de mensen praatten erover:
- Hij is dronken.
- Waarachtig niet, hij hèt 't in enen gekregen.
- Hij is dronken, Jan hèt net onder 'm geroken an z'n asem en die zegt, dat 't naar jenever stinkt as de pest.
De jongen hing scheefgezakt over de paal heen.
- Jan, kom d'ris hier... ruik eris an 'm of-ie dronken is of niet.
Onder z'n benen kroop Janjongentje door, z'n mond vlak bij de mond van de ander, hij rook 'm:
- Nou asjeblieft, 'n pestlucht.
Vreemdgroot, blijgroot kroop hij terug nu weer en stond bij de anderen te lachpraten.
Juffrouw Meks en de huisjuffrouw kousden erover.
- Hij ziet d'r nogal fetsoendelijk uit.
- Gut, vindt u dat, m'neer Driesse, de huisjuffrouw vindt, dat-ie d'r nogal goed uitziet... hoe vindt u 'm?
Om de dronken jongen, was wilder lollelach losgelachen en prettig stoeiden ze met hem.
- Douw 'm 'n veer in z'n broek.
- Late we-n'm burgemeestere1... wie 'm burgemeestert krijgt een dubbeltje van me.
Ineens viesbruin kwalsterde een trok tabak tegen 'm aan, i. De broek naar beneden trekken
160