XVI. SCHOBBERJONGEN1
Om negen uur zou hij weer terug zijn en 't was nu acht. Sam moest naar Haarlem een middag, en ik had hem naar 't spoor gebracht. Langzaam door de stad door was 'k naar huis gedwarreld mijdend de drukke straten en een vrees in me beefde voor de angstige leegheid van de verdere dag. Nee, niet alleen blijven werken de hele middag in de witlichte kamer... en niet de straat oplopen... liever stil liggen op m'n bed in de donsdoezige half-grijsheid van 't alkoof, de deuren dicht. En zo had ik gelegen triestige uren uren lang, achterover onbewogen op het bed met m'n open ogen starstarend tegen de grijze leegte an. Emotieloze. Tot de droge kamerpijn mijn hoofd begon te martelen, zachtjes eerst, zachtjes... en dan droogspits erger, en ik de straat opliep. Die lag paisibel in 't zonneloze schijnsel van de avend, en vluggaand de Amstel langs, verkalmde mijn pijnspit-se stemming tot een wijde weke droefheid, die geen pijn meer deed, maar innig door m'n lijf trilde. Een uur nog maar, dan zou Sam er zijn, weer samen met me, en dan zou ik weer z'n bewegen om me heen voelen... het was toch een goeie tijd tegenwoordig. Overmorgen kwam doofstom Stientje thuis... zes weken met vakantie... dan nog een paar weken, dan kwam d'r vader terug... dan wier 't voor Meks ook weer wat beter... goed mensje toch wel, maar altijd in de knoei voor anderen... dat zou dan wel beter gaan. We hadden 't toch wel goed... nou vlug naar huis lopen en dan alles klaarmaken... wat moesten
i. Schobber: schooier
159