JACOB ISRAËL DE HAAN
toch, waar bleef hij toch. Lieflachend rekte zij 't loomlijsende gesprek, maar angstig rood keek ze naar mij en haalde d'r schouërs op. De anderen merkten het en dachten eraan, vervreemd langzamerhand van 't pretbabbelprateren. Bleke stilte viel neer op de vrolijke avendmensen, ze praatten zachter nu en luisterden als een geluid geruchtte buiten. Met hoogrode wan-getjeskleur zat juffrouw Meks... ze had met d'r soepeetje willen beginnen, maar dat kon ze toch niet doen, nu Alex er zelf niet was en het meisje. En haar wil van 't avendje nog te redden vermoeide slap door 't aanhoudende wachten. Ze gaf het op, leunde zwaar in haar grote stoel, liet Anna niet meer inschenken en ronddienen. Het gesprek dreinde hulphopeloos; de vrouw van de polisieman was weer ingeslapen, nichie, die verhuisd was naar de Jordaan, vreesde, dat 't te laat wier voor de laatste tram.
- Ze laten ons wachten, zuurzei huisjuffrouw.
- Ze zijn wel laat, knikte die van Lepelaar.
Juffrouw Meks zweeg, maar de man van de huisjuffrouw schunnigde lollig overuit.
- God weet waar ze zitten... jong en jong, die hebben wel wat anders te doen, dan bij ons te zijn... in een bossie op 'n bankie.
Maar het grapte niet. Platweg zwegen ze en geen mens die meer moeite dee om 't praten op te helpen. Het sloeg elf uur... vlug slag op slag. De huisjuffrouw stond op.
— Kom, man, wij gaan.
— Gaan we... wat heb je 'n haast.
-Ja, 't wordt mijn te laat.
— Dan gaan ik ook, zei nichie, anders is de laatste tram ook nog weg.
Ze stonden op en keken naar juffrouw Meks of die niks zeggen zou van blijven, en nog wat wachten... maar 't Meksen-mensje lag moe in haar stoel weggezakt en zei niets. Juffrouw
156