JACOB ISRAËL DE HAAN
Utrecht gaan... hij wist er toch niets van... Sam zou natuurlijk niks vertellen... en Koos...
- Ben je klaar?
-Ja m'neer.
- Zo, nou hier heb je zeven stuiver, je weet waarvoor, maar denk eraan, als er maar zoveel aan mankeert, dan kan je weer net gaan, zoals je gekomen bent.
-Ja, m'nheer, ik zal 't goed doen.
Nu lag ik weer alleen en dacht aan Geert... wat zou hij wel van me denken... Sam had 'm zeker wel gezegd, dat ik niet erg goed was... maar hij begreep natuurlijk niet wat... en dan dacht ik aan 'n vrind van Sam, die d'rop promoveren wou en een bende malle vragenlijsten had rondgestuurd... wij hadden er ook een ingevuld, maar helemaal verkeerd en pretmakend lag ik daaraan te denken... as 't proefschrift kwam, dan zouden we 't hem natuurlijk zeggen. En as-ie 't nu eens wist van mij en Koos... god ja, die moest nog z'n jenever hebben, datwas-iezo gewoon. Hij dee 't 'r ook wel zonder, maar als hij goed wat op had, was hij mooier, flonkerguldden z'n ogen lichter. Maar even halen, zelf maar doen, 't ging de anderen niet aan. Lui stond ik op en nam onze blauwe drinkkan van de kast en liep de straat op. De mist was dikker geworden en killerkoud... ik rilde, maar vlug 't klein kroegje om de hoek in. Rookdamp stond warm wit tussen de dingen in. Voor de toonbank twee mannen, kolendragers, hun gezichten smookzwart, waarin groezel-grauw 't wit van hun ogen, één schuin in een hoek hangend, de ander flinkerrecht zat schrijlings op z'n stoel. Toen ik binnen kwam, zwegen ze en de ene liet z'n glaasje nog eens volschenken, ze keken vreemd naar mij, toen vroeg de toonbankjuffrouw:
- En u?
—Jenever, geef maar goeie.
146