PIJPELIJNTJES
- Nee, we gaan toch maar lopen... daar heb je de kaartjes, hou dat kwartje maar.
Gedwee liep hij met me mee, het donkermistige Rokin en de Reguliersgracht.
-Je moet vannacht bij me blijven, m'neer Sam is er niet.
-Ja, dat is best.
Naast mekaar liepen we door zwijgend.
Nee, ik hield niet van 'm... maar hij was de mooiste jongen die ik kende. En weer zag ik hem zoals ik hem voor 't eerst zag.
Midden in een gloedhete zonzomerdag op 't plein, vuilprach-tig met z'n goudbruindoorgloeide ogen en z'n blinkwitte tanden. En 't eerste gevoel van begeerte zonder liefde hervoelde ik nu. Voor mij stond hij zoals hij 't eerst naaktbevend voor me had gestaan, met z'n vuile prachtige vlees. Kleefkloddertjes vuil tussen z'n teenkuiltjes... op z'n knieën een hardbruine vuil-korst met witte splijtbarstjes, twee vuilplekken op z'n borst... en later had hij zich altijd eerst in 't badhuis1 moeten wassen.
Thuis was alles gewoon gebleven, er waren twee brieven gekomen, en ik ging ze lezen, effen zonder verlangen. De grote jongen stond naast me, nederig gedwee.
- Wil je wat eten?
-Ja, graag.
Hij at hongerig en op de canapé liggend keek ik naar hem. De grote lamp was uit, alleen 't bureaulampje lichtkringde op de tafel, de verdere kamer egaalzwart. Wat was hij mooi, vreselijk-mooi, en gek dat ik toch niet van hem hield. Pijnlijk getroost dacht ik aan Geert... wat zou hij nu doen... Sam begreep ook dadelijk alles... goeie jongen toch... als hij maar bij me bleef en me niet alleen liet... die Geert... wat had-ie een leukluchti-ge stem... wanneer zou ik hem weerhebben... maar eens naar
i. Het Volksbadhuis in de Govert Flinck, geopend in 1894
1 45