JACOB ISRAËL DE HAAN
zwarte stilte. Weer dacht ik aan Geert. Sam had begrepen, wat ik van hem voelde en daarom had hij hem meegenomen. Ik zou hem niet weerzien. Lang bleef ik staren in de kamerdonkerte en voelde, dat mijn zuivere jongensliefde weg was. Maar dan zou ik nu het andere nemen, het gore, niet goede. Kalm welbewust wist ik, wat ik wou.
In 't donker zocht ik m'n hoed en mantel, vond alleen m'n hoed, en ging, m'n jas hoogdichtgeknoopt de straat op. 't Was mistig buiten, laag neerdikkende wolkmist, waarin de lantarens rood gloeiden. De trams drukverlicht en vol, voorop sprong ik en duwde m'n schouder achter de koperen steunstijl. Door de verwarde lichtstraten ratelrammelde 't tramding. De koetsier pretpraatzaam met een jongen voorop1, en ik dacht, hoe ik alles nu regelen zou...
De Dam breed en woelig, de mensen in drukke troepjes om de trams heen. Ik zag hem. Hij verkocht een tramkaartje2 aan 'n oude vrouw, stond naast haar, gering en sjofel.
- Dag Koos.
- Hé, dag m'neer... wat heb ik u in een tijd niet gezien.
- Nee... ik had geen tijd... ga je mee naar huis? -Ja, zeker, m'neer.
Hij wou 't graag, kreeg altijd een gulden, als hij met me meeging en 's nachts bij me bleef, en soms meer. Maar ik minachtte hem dan toch, de jongen die lui liever geld kreeg, dan dat hij het verdiende.
- We kunnen wel trammen, geef me maar twee kaartjes.
- Asjeblieft m'neer.
Ik gaf hem een kwartje en hij blij bedankte3. Maar ik wou toen niet met hem trammen, hij was zo gering en zo vuil־*.
1. De bestuurder stond nog niet van het publiek gescheiden
2. De schoenpoetsers op de Dam mochten losse tramkaartjes verkopen
3. Een tramkaartje kostte 7V2 cent
4. Niet toegelaten tot vervoer waren o.a. 'dronken lieden en onreine personen, alsmede dezulken wier kleeding stank verspreidt' (verordening uit die tijd)
144