PIJPEUJNTJES
De lichte zaal vrolijkte ons wat op, we hadden ons oudbekende hoekje bij 't buffet en onze vaste kelner, die familiaar grappig dee tegen Sam over centen en 't eind van de maand. Maar fijnbescheiden toch. Sam at langzaam en praatte veel, maar niet over de jongen. Over 'n carcinoomgeval, en hijluidlachte toen ik dat vies vond onder eten. Toen we klaar waren, at hij nog aardappelsla en gebakken aardappelen door mekaar.
Precies zeven uur waren we bij 't gasthuis1, in de donkerte van de gracht straklichtte een lantaarn rechtbrandend in 't rond. Een kar stond buiten, en een klein mannetje zat op de karrekruk, wiegde langzaam z'n ene been over z'n andere heen. We bleven heen en weer lopen. Niets was in mij dan weekwitte droefheid, niet om dode jongen, maar om 't gedoente, stemming van malle begrafenis. Sam schrok mij op:
-Daar heb je ze.
Uit de gasthuispoortdeur twee mannen. Droegen een lange witte mand aan riemen over hun schouders. Met een zwaai sloegen ze hem de kar in, en 't zwarte zeil eroverheen. Toen gingen we. De stad door, waar niemand de lijkewagen kent. In winkelstraten lichtte vrolijk heldergele lampenbrand, de man achter de kar reed vlug op, en wij liepen mee, strak vooruit kijkend naar de wagen.
- Ziezo, prettigpraatte Sam, nou heeft-ie tenminste z'n begrafenis.
- Ach, ja, maar ik vind 't toch mal.
- Natuurlijk, au fond zijn we allemaal mal, we hebben 't 'm beloofd, en ik ben blij, dat we 't gedaan hebben.
Zwijgend achter de kar liepen we en Sam heel ernstig:
- Denk je d'ran, op 't kerkhof mag niet gesproken worden.
1 Binnengasthuis, academisch ziekenhuis
139