JACOB ISRAËL DE HAAN
In de donkerte tussen de huizen en de houten hulpschool, waar alleen de lantaren van 't politiebureau licht scheen, bleef de kar staan, 't Zeil eraf. En ze droegen de slapwitte mand, waarin het lijk weekrond neerlei, naar binnen, de snijkamer in.
— Ziezo, zei Sam, dat 's weer geweest... kom nou, we zijn klaar.
Toen gingen we met de tram naar huis en werkten paisibel de hele avend uit.
140