JACOB ISRAËL DE HAAN
- Sam... malle S-am.
Hij zei niks, 't lichtduister bruinde dichter om ons, ik keek naar de tere theekringetjes...
-Jopie, kom we gaan.
- Laten we vanmiddag thuis eten, Anna kan wel even 'n paar busjes halen.
- Welnee, we moeten Bobbie-boy toch gaan begraven, we eten in Colonnes1.
-Zo... wil je zo?
Sam zweeg en we zaten een tijd stil in de heeldonkere schemering. Maar even kon ik Sams gezicht zien. Hij wilde het nu toch, de malle dwaasheid van die begrafenis... en ik moest wel mee, maar ellendig was 't.
Met een duw schoof Sam z'n stoel achteruit, die tegen de boekenkast sloeg.
-KomJopie, we gaan.
Z'n stem weekdroefde in mij en maakte me moe en zo zwak:
't Was nog niet heel donker buiten, maar de winkellichten scherpgeelden al door 't avondgrijsblauw. 't Weer avende hel-dermooi, de huizen kanteelden fijn tegen de lucht, waar die licht was. We zeiden niets. De Utrechtsestraat; 't asfalt droogwit in de schijn van de onbewogen booglampen, die bleekblauwden in de verte. En drukgeel de gaslichtjes. We liepen met de mensen mee rechts, zwijgend. Boze bui driftigde in mij. Nee, het was al te mal, daar moest ik niet aan mee doen... Sam kon wel zoveel malle dingen beloven... nee, ik ging terug. Maar dan keek 'k naar Sams gezicht, weekdroevig staarden z'n bruine ogen, wijdkijkend over de drukwoelige straat, en ik wou hem toen geen leed doen.
i. Café-restaurant Mille Colonnes (ook wel Mast geheten, naar de eigenaar) op het Rembrandtplein, trefpunt van kunstenaars en journalisten
138