PIJPELIJNTJES
We kwamen lekkerfris thuis en sliepen 's nachts samen emotieloos.
De volgende dag stond Sam vroeg op en hij ging uit. Prettiglui bleef ik nog wat liggen achterover met m'n handen onder m'n hoofd, halfdicht m'n ogen, dat 't fijniggrijze morgenlicht zon-neloos binnenzeefde. De tijd versoesde zachtsuizend heen, en ik dee m'n ogen niet open, bang, dat het volle daglicht me klaar wakker zou maken. Dee iemand nu maar die alkoofdeur dicht, dan kon ik m'n ogen wel open doen... zou ik 'm zelf sluiten... ja maar even doen toch. In 't bed opleunend probeerde ik de deur te sluiten, maar het lukte niet. Onder m'n warme lijf tochtte de kou kil. Dan maar eruit en 't zó doen. Maar helder wakker lag ik met m'n ogen open in 't dempige schaduwlicht; dommelde doezig weer in.
En Sam kwam thuis.
-Ligje nog te bed?
-Ja... kom je thuis? Ik dacht, datje uitbleef.
- Dat wou ik eerst, maar ik kom toch maar liever thuis werken. .. sta nou op, dat vind ik veel leuker, blijf niet zo liggen.
Prettig werkten we de hele dag verder saam, bleven 's middags thuis.
-Jij hebt je wandeltijd verslapen.
- Ik heb niet geslapen... ik heb liggen denken.
- Zo, waaran dan?
- An niks en an jou.
Tegen schemertijd hielden we even op en dronken thee. Mijn stemming was schemerteer en met een fijn gevoel van heerlijk veiligzijn keek ik naar Sam. Over z'n malrond hoofd vlakgrijsde het avendlichtduister; doezelde donkerder in de diepte van zijn oogkassen. Zachtstrelend zei ik 't met een hoge 'a' er scherp in:
137