JACOB ISRAEL DE HAAN
klaagde hij wreedwenend, dat hij dood was gegaan.
Hevig een angst op me, die heet zweet uit m'n wangen kneep en die ik niet bedaren kon. Opstaan wilde ik niet, want Sam sliep en heftig pijnlijk lei ik in de stoel. Maar het kalmeerde niet. Almaar was angst op mij met pijn, die niet te verjagen was. Wreed beten m'n tanden het weke mondvlees kapot, dat 't bloed lauwluw uit mijn lip sproeide, maar het verwon de angst-pijn niet. Staag klaagde de fijne jongensstem naast mij van pijn, o, zo'n pijn en smekend vleide hij Sams naam. Het was om te gillen van angstsmart, maar ik durfde het niet en beet wreder in mijn mond. Scherper doordringend martelweende de stem van het dode jong... o... o...
Dan een visioen, doodswit, lijkwit. Het naakte lijk... z'n gezicht bruin maar bleek... z'n armen met de zwartkroese okselhaartjes. .. en ik zag hem met een strelend gevoel van pijn, alsof een ander mij bekeek. Om hem de zes snij studenten... en een met 'n anatomieboekje, dat vaker gebruikt was en naar lijk lelijk rook... sterker werd de lijkwitdikke geur... het vulde de kamer gehele, verstikte mijn adem. Toen nam een van de studenten zijn blinkemetalen mesje en ze begonnen te snijden. Angst was weg, kalm helderde de kamer in 't zonlicht en uren bleef ik op m'n stoel liggen kijken hoe ze hem sneden en de spiertjes apart leien en de witte zenuwdraadjes. Tot ze eindigden en heengingen. Alleen bleef 't lijk liggen in 't starwitte middaglicht en 't zonneschijnsel scherpschroeide er langs.
Toen de studenten weg waren, ging ik rustig wat werken. Sam sliep nog, en de morgen liep als een gewone morgen voort.
's Middags maakten we samen een lange loop langs de noordkant van het IJ. Mijn angst was weg en gezond liep ik met Sam mee. Hij praatte over jongen niet en ik dacht aan de malle begrafenis van morgenavond. Misschien wou Sam 't zelf wel niet, als het zover was. 't Was toch al te gek daar achter te lopen, naar de snijkamer toe.
136