JACOB ISRAËL DE HAAN
heb nog nooit van iemand zoveel gehouën as van Sam... En hij streelde zacht zijn eigen woorden.
De laatste dagen was Sam altijd haast bij hem en als hij 't vroeg, kwam ik ook, maar liefst was hij met Sam alleen.
In de voornacht had hij Sam laten roepen, omdat-ie zo benauwd was en Sam was dadelijk heengegaan. In de lege nachtstraat holden1 zijn stappen, geluidden weg, wakker alleen bleef ik staren in 't zwarte kamerdonker, dat eindelijk begon te veranderlich-ten en toen kwam Sam thuis. -Slaap je Jopie?
- Nee... is d'r wat gebeurd?
- Bobbie is dood.
Hij stak de lamp aan en 't licht schommelgolfde over de meu-beldingen heen. Sam zat aan 't bedboveneind in 't hele donker.
- Bobbie is dood... lam hè? -Ja, heeft-ie pijn gehad?
- Op 't laatst niet meer, maar eerst wel, dat sarcoom drukte-n'm toen op z'n hart, maar zeg Jopie, ik heb beloofd, dat we mee zouën gaan 'm begraven... eerst dacht-ie altijd nog, dat-ie beter zou worden, maar eergisteren is-ie in enen veranderd en heeft-ie alles precies klaargemaakt... en toen zei-d-ie, dat-ie 't zo lam vond, als d'r geen mens mee ging en toen vroeg-ie of wij dan meewouën... je doet 't toch?
-Ja, natuurlijk, als je 't beloofd hebt, wanneer is 't?
- Morgenavond om zeven uur.
- Morgenavond om zeven uur?! Zeg toe nou.
- 't Is waarachtig waar, om zeven uur.
- Wees nou niet altijd mal, waar begraven ze nou om zeven uur?
- Waar? Op 't Jonas Daniël Meijerplein.
1. Klonken hol
134