P1JPELIJNTJES
- Hoe is 't met 'm?
- Beroerd, hij gaat 'r mee heen, zeg, hij is zo'n jaar of negentien, maar je moet 'm zien, zo grappig bruin en dan hèt-ie blauwe ogen, je weet wel van dat echte grijzeloze blauw!
- Zo... je schijnt veel van 'm te houden.
- Ja, hij van mij ook... zie je hij heeft helemaal geen familie hier... we moesten 'm saam d'ris bezoeken, ik heb ,m van je verteld... ga je mee?
-Ja... graag.
Jongen lag op de witte zonkamer achterover te kijken, en we kwamen binnen, heel stil. 't Was geen bezoekuur, in 't midden van de kamer de stille oudvergrijsde zuster, en de vier bedden aan de kant.
- Dag zuster.
- Dag heren.
- Dag Bobbie-boy, daar zijn we nou.
Sams fijne stem zachtstreelde diep in mij en ik zag de jongen aan bleekbevend, en Sam zei weer:
- Dat is nou Joop, Joop dadf heb je nou Bobbie... hoe vin-j'em?
- O, goed.
Ik zei zwakjesflauwtjes en keek weer naar hem. Fijnbruin en bleek was z'n gezicht met diepzwarte groeflijntjes van pijn om zijn mond, maar z'n ogen blauwhelderblinkend.
En z'n stem vleide ons:
- Hoe vin-je me nou... laat Sam nou eerlijk zeggen, of ik beter wor... Sam wor ik beter?
-Ja, natuurlijk, de operatie is immers goed gegaan.
Dan hij blijdde helemaal op, verschikte prettig in 't woelwar-me bed en wreef met z'n hand over Sams arm:
- Als ik beter ben, kom ik 'n poos bij jullie... Sam hèt 't beloofd, ik heb nooit zoveel van iemand gehouën as van Sam... ik
133