JACOB ISRAËL DE HAAN
mee zou gaan, als 't weer bezoekdag is... u begrijp 't is voor hem 'n heel verzetje, u doet er hem zo'n plezier mee...
-Ja, ik weet niet of m'neer Sam 't goed vindt... 't is wel erg vroeg-op.
- O, maar dat is 't nou niet, u bent wel meer vroeg-op... ja, de lui van de Heren- en Keizersgrachten, die kommen d'r niet, die blijven 't schuurtje wel uit, maar de huisjuffrouw is toch ook al eris mee geweest... dus.
- 't Is goed, zei Sam, we gaan.
Dinsdagmorgen halfzeven. Nooit wakker waren we om deze tijd en prettig zag ik dat 't om halfzeven al zo licht was. Wat waren we al een eind in de lentetijd. Lekkerfijn gelukkig lei ik achterover en slaapsoesde nog na, een prettig streelgevoel doortin-teltrilde mij, maar juffrouw Meks riep weer beleefd dreigsme-kend:
- Toe dan nou... luie m'neer... staat u nou op.
Dan ik bleef nog liggen, Sam sliep ook nog. Wat had-ie toch 'n heel anders gezicht dan andere mensen... Het was juffrouw Meks weer:
- As u nog mee wilt, moet u nou waarachtig toch opstaan, dan zal ik u 'n kopje thee brengen.
Wij waren op, vreemd-koud in de kille vergulde zonneschijn. Keken mekaar aan, zoals we daar stonden. En Sam:
-Ga jij?
-Ja... jij niet?
־Ja-
- Waarom vraagje 't dan?
- Zo maar.
't Killicht in de straat, regenlicht, maar 't regende niet meer. Sam rilde:
- 't Valt nog niks mee op straat.
- Nee, zeg u dat wel, maar 't is ook nog vroeg; maar wat ik
124