JACOB ISRAËL DE HAAN
Met de tram naar de Dam en weer 't stampend ongeduld, dat hij net weg kon zijn in dat tijdje, van die tramteut.
Maar eindelijk toch 't Rokin. Niet weggaan nu. Wachten tot negen uur... langer. Misschien kwam hij wel eerder, was 't maar malle angst geweest, dat hij weg zou zijn. Zoals gisteren en eergister; en in mij praatten pijnlijk angst, dat hij weg was en de prettige troost, dat hij toch om acht uur wel komen zou.
Tot hij er om acht uur nog niet was. Stram en doodziek liep ik nog altijd en weer tussen de twee steegjes en wilde hopeloosheid huilde door mij heen. Nee, hij kwam niet...
Dan toen kwam hij. Ze liepen met z'n tweeën, een ander was er bij dan gisteren. Fris leefde ik op1 toen ik hem zag, en mijn ellendige moeheid helderde heerlijk op. En ik liep achter ze aan, voor 't laatst nog eens vlug overkijkend alles tot in de kleinste fijnheid. We waren nu op de Dam haast, nu moest ik hem vragen en meenemen.
Mijn stem droogde schroeiend op in mijn keel, in mijn oren suispiepte het. 't Was tijd. Toen zei de andere jongen, wat ik duidelijk hoorde:
-Jezes Tom, wat laat jij daar een scheet...
Op een vlucht liep ik naar huis duizelig door de stad. En dicht tegen Sam aankreunend vertelde ik hem ellende.
1 De oorspronkelijke tekst luidt.׳ 'Fris leefde ik'. Het woordje 'op' stamt uit P z
122