PIJPELIJNTJES
pen, dat 't nog dropte al regende 't niet meer. En prettig het hel-dergrijze regenlicht, dat de huizen lekker witschoonwaste. En dan de drukke stad-in-de-stad, dwars door naar 't Rokin. Dat was nu helderder dan gisteren, van 't Rokin had ik door de jongen het beeld van gisteren nog, dat triestiger was.
Ziezo, daar was 't straatje, waar ze uit waren gekomen, nou hier maar blijven en dan op- en neerlopen tot 't andere straatje, waarin ze weg waren gegaan.
Half vier ruim, de klok had juist geslagen toen 'k bij de Munt liep. Heen en weer bleef 'k lopen tussen de twee straatjes, almaar heen en weer. Een cadans in m'n benen en helemaal dacht ik niet anders dan aan de jongen. Uren liep ik. Af en toe caril-londe de paleisklok, maar de tijden daartussen zwart en leeg. 't Bleke middaglicht grauwbruinde tegen de avond, die dicht om de stad donkerlichtte. Scherpgeel toonden de gloeilampjes in 't nachtzwart. Trillende moeheid suisde door mijn hoofd, en wanhopig begon ik te denken. Regen was weer begonnen, en maakte mij huivernat, kilnat.
Misschien kwam hij wel niet, mal eigenlijk dat hij komen zou, en mal om te denken, dat hij daar werkte. Maar niet weggaan. Weer lopen lang en langer, triestig vermoewend en staag gemarteld door de regen.
Het sloeg acht uur, de regen ratelruiste tegen de huizen, boosnat, koudnat en striemend als de wind hem tegen m'n gezicht sloeg. Uit 't straatje kwamen fabrieksmannen juist toen ik vlak er bij was. Nu zou hij ook komen.
Met twee andere jongens liep hij tussen de mannen. En de Damkant gingen ze op, druk-pratend. Zeker blij vrij te zijn na lange dag van werk.
Blijdschap vierde licht in mij uit, dat hij er was. Nou even achter hem lopen tot die mannen weg waren en misschien die jongens ook. En dan de weg vragen en verder zien hem mee te hebben.
"7