PIJPELIJNTJES
fijn regenrood en z'n ogen donkerbruin met blauwzwart eronder. We waren de jongen nu voor, maar voor een winkel bleef ik staan en wachtte tot ik ze op de regenspiegeling van de ruit voorbij zag gaan, toen liepen we weer op, en ik zag hem nog eens. Even daarna waren ze van ons af, een steeg weer in.
Over de Dam liepen we en onder de regen, die plaste nu. Sam zachtpraatte weer over patiënten, over 'n meisje van zeventien met 'n es1, maar ik hoorde z'n stem van verre, vaag, of't tegen 'n ander was. Maar zijn luide spraak hoorde ik, toen hij zei:
— Waar denk je aan? Is er wat?
Helderder hoorden m'n oren ineens.
— Nee, helemaal niet, hoe zo?
En de Nieuwendijk, die smalverdonkerd zijn huizen vaag verweg kanteelde. De mensen nat en druk. Pijn deed mij het triestige verlangen naar de jongen, of ik nooit de andere jongens had liefgehad en het waren er toch zo velen, maar het denken van hem had al mijn andere denken overlicht en verlangen naar hem al mijn verlangen. In enen.
In de eetzaal hadden we weer ons vaste plaatsje, Sam op 'n bank en ik op 'n stoeltje onder 't scherpe geschijn van drie lichten. Ik keek er naar en dacht aan de jongen, en eten kon ik niet. Sam at gewoon, soep en bloemkool met gehakt, omdat 't bij Duval2 was.
- Is er wat?
- Nee, niks...
En 's avonds thuis. Wij werkten. Maar telkens zwierf mijn denken naar de jongen toe en dan bevoelde ik de vale zonloze regenmiddag en hij daarin roodfrisblozend en heerlijk begeerlijk. Over mij zat Sam, het licht geelde goedig op zijn rond gezicht,
1. De s van syfilis
2. Eethuis in de Gravenstraat, zijstraat van de Nieuwendijk bij de Dam. Een maaltijd kostte er twee kwartjes. In P 2 moppert Hans: 'Altijd bloemkool hè bij die Duvel.'
"5