PIJPELIJNTJES
boos-ruw, hardruw, en hij was kalmslecht, die anders kalm-goed was.
In een schuttingspijker sloeg de zak en scheurde, de roodge-scheurde halssnee gaapte uit 't zakkebruin, en almaar sloeg Sam met lange armzwaaiingen de kip tegen de schutting aan.
Toen in enen haakte de scheur in een spijker; met zacht vallend geluid sneed de zak helemaal op, en de kip viel fladderge-vallen over de schutting in de tuin van huisjuffrouw.
Daar lag hij, kramptrillend z'n breeklijke pootjes en z'n ogen open-en-half-dicht, zwartbruingebroken.
We keken ernaar, verstild en dan Sam in enen:
- Wel jezes, 't kreng leeft nog.
113