JACOB ISRAËL DE HAAN
op de borstveren, en die rood werden van 't langzaam drup-druipende bloed...
- Gut, wat zal dat beessie 'n pijn hebben... u heb 't ook zo onhandig gedaan... zo kan-ie nog wel 'n uur blijven zitten, jammerkloeg Meks.
- Niks geen pijn, mens, gierprette huisjuffrouw, die 't lollig vond, z'n zenewe benne doorgesneeë, nou voelt-ie niks meer. Wat jij kippie, voel jij nog wel wat...?
Tegen 't druipende diertje stootte ze met haar voeten. En dat opsukkelde en een eindje verder weer zitten ging, 't fijn rode bloed drupsproeide, over de halsveertjes.
-Kippie dan, kippie, klaagriepjuffrouw Meks.
Huisjuffrouw lollachte:
- Hij hoort 't niet... hij is doof gesneeë.
Kip snikkakelde klagelijkjes. En dan juffrouw Meks weer nijdig tegen de huisjuffrouw:
- Dat zo'n stom dier nou geslacht wordt, dat is nog daaren-toe, maar dat u d'r 'n lolletje van maakt, dat vind ik gemeen, gewoonweg gemeen, en as u mijn nou een plezier wil doen, dan snijdt u 'm nog eens, m'neer Sam.
Flikkerblauw licht helde achter Sams ogen, die straalwreed staalden:
—Ja, 't is gemeen, diepmoeilijkte z'n stem in z'n keel, we zullen 'm wel even waarnemen1.
En vlugbukkend pakte hij levendbevende kippediertje en smeet het in een zak. Toen begon hij te slaan, met wilde draaiingen en weer neerbonzingen de gezakte kip tegen de schutting tussen de tuinen aan. Even klaagklokte in de zak, maar dan stil. Overgrootopen verschrikt keken de bruine ogen van juffrouw Meks naar mij, en ze schreeuwgilde het uit:
- M'neer Sam, wat is dat nou... hou u toch op.
En huisjuffrouw tierlachlolde los. Maar Sam sloeg 't beest
i. Ervoor zorgen
112