JACOB ISRAËL DE HAAN
niks wisten en dat ik hem maar moest laten gaan.
Juffrouw Meks klopte met de knop in d'r hand en kwam dadelijk, toen ik binnen riep, en de huisjuffrouw wachtte, lieflachend.
- Dag juffrouw Meks... hé, dag juffrouw Bramer.
- Dag m'neer Sam, dag m'neer Driesse... ja, u zal wel vrage, wat kommen die twee doen, maar we hebben 'n zakie voor u.
- 'n Zakie voor ons?
-Ja, juffrouw Meks wil d'r manke kip an mijn verkopen.
Boosbruin fonkelden Meks d'r ogen op, 't even schele oogje toornbeefde.
- Ikke... mens hoe kom je d'rbij, sta me hier geen leugens te verkopen.
Maar Sam zeer pacifiek:
- Dat is heel verstandig van juffrouw Meks, zo'n mank dier hèt waarachtig geen deel van leven meer, en iedere dag, datje 'm leven laat is zonde.
Huisjuffrouw triomfte.
- Ziet u nou wel juffrouw Meks, dat m'neer Sam 't met me eens is. Affijn, ik wil nou de kip wel kopen, daar niet van, maar juffrouw Meks wil d'r maar liefst 'n daalder voor hebben.
- 'n Daalder? Nou, dat vind ik helemaal niet duur... ik wist niet, dat juffrouw Meks 'm verkopen wou, maar ik heb laatst nog tegen m'neer Driesse gezegd: Joop, zei 'k, as we nou die witte manke d'ris konnen kopen, dat zou me nog 'n daalder of vijf en dertig stuiver waard zijn.
- O, maar m'neer, blijvlugde klein Meksje uit, voor vijf en dertig stuiver heb u 'm, dan zal ik 'm wel voor u braaien.
- Dat is goed, kalmpraatte Sam, Joop, we eten morgenmiddag soep en kip... de helft in de soep en de helft gebraden.
Maar huisjuffrouw roodnijdigde:
-Ja maar, dat bennen nou geen meniere, m'neer Sam neem ik
108