jacob israël de haan
Feestelijker wit tooide de tafel, broodjes en kaas en zalm rood-motig elk busje1 op een apart schaaltje, en gemarioneerde2 haring van Fuente3 en uitjes ook van Fuente.
Wakkerder schikten ze dichtebij en aten. De man van de huisjuffrouw had z'n bovenbeen stijf over 't andere geslagen, z'n bleke wangetjes kleurden scherp-rood en gulzig at hij.
Dan in enen vlug sleutelgerammel, en Sam weer binnen en ze riepen allemaal ha en dat ze blij waren dat-ie d'r weer was.
Ik bekeek hem, om te zien of't erg was geweest, maar z'n gezicht gewoonde effen en z'n stem zei eventjes-dof als altijd:
— Ziezo, ik neem m'n ouë plaatsje maar weer.
Bevende nieuwsgierigheid lichtte uit de ogen van de huisjuffrouw, maar ze durfde niet te vragen en de anderen ook niet. Aten eventjes en keken dan schuinschuwtjes naar Sam, die ook at. Tot de huisjuffrouw zachtdriestend:
- Gevaar is d'r toch niet bij, wel m'neer Sam? En hij dan kalm-gewoon:
— Ze is bevallen.
Geen mens at meer en huisjuffrouw drukker opdriestend:
- Wie is d'r bevallen?
— 't Meisje van de juffrouw één-hoog boven Paul Kaiser.
- Gut, dat zwarte meissie? —Ja, ze was wel zwart geloof ik.
- Wel, wel, daar hoor ik nou gewoonweg van op, zo'n knap meissie, ze is natuurlijk niet getrouwd, wel m'neer Sam?
— Nee, natuurlijk niet... ze is pas zeventien.
Sam zei heel kalm, precieus z'n broodje snijdend en dan langzaam etend, maar ik leerde, dat iets gebeurd moest zijn, dat hem over emoties heen in lucider emotieloosheid had gebeurd.
1. (Inhoud van een) blikje
2. Gemarineerd (spreektaal)
3. S. A. de la Fuente, levensmiddelenzaak, met winkels in de Van Wou, de Ferdinand Bol en de Warmoesstraat
i02