decadente romantiek aanduidt. Wel demonstreert De Haan in deze beide boeken zijn meesterschap in het schrijven van dialogen, veel meer dan in zijn overige proza. De gesprekken tussen juffrouw Meks en haar gasten of die tussen Anna en Liesbeth zou men vrijwel ongewijzigd op het toneel of in een t.v.-stuk kunnen overnemen; wel zullen dan de dialogen uit Ondergangen iets pittiger blijken zelfs dan de gesprekken tussen Joop en Sam. Een groot verschil met het uit losse schetsen aaneengeregen Pijpelijntjes vormt de structuur van het verhaal van Ondergangen. De zorgvuldig wurgende beschrijving van de relatie tussen Anna en Liesbeth vertoont meer overeenkomst met Pathologieën, waarvan de ondertitel De ondergangen van Johan van Vere de With de titel van die andere roman al in zich draagt. Een verschil met Pathologieën is dan weer het ontbreken van de 'demonische' dimensie, die Pathologieën wèl verbindt met de nerveuze vertelling 'Over de ervaringen van Hélénus Marie Golesco' (gepubliceerd in 1907). Naast Pathologieën lijkt Ondergangen meer een psychologische studie, een kunstvol ingericht martelkamertje waarin de lezer wordt uitgenodigd enige tijd zijn zenuwen op de proef te komen stellen.
We kunnen niet goed uitmaken of Pathologieën vóór of na Ondergangen is geschreven, waarschijnlijk zowel het een als het ander. In 1905 kreeg Frederik van Eeden het al ter lezing aangeboden en in februari 1906 blijkt De Haan het in 'type-afdruk' naar Lodewijk van Deyssel gezonden te hebben, maar als
94