beulswerk maakte hem dronken. “Genoeg” schreeuwde iemand, en ik werd naar de cel gesleept. De volgende dag werd ik in de boeien geslagen.
Veel had ik te Orel reeds mede beleefd! Maar dit! Dat het allemaal op touw gezet was door een assistent, die zich wilde onderscheiden, daaraan twijfelde ik niet. Maar waarom moesten meerdere gevangenen ervoor getuchtigd worden?
Enige dagen later hoorde ik in de badkamer van kameraden hoe de zaak zat. Een gevangene, tot twintig jaar katorga veroordeeld wegens moord op een gehele familie, had in de pet van een onzer kameraden, Gozanov, een briefje genaaid. Deze wist natuurlijk niets daarvan af. Toen de beambten hem beschuldigden een geheime brief te hebben geschreven, ontkende hij natuurlijk. Daar alles van te voren in elkaar was gezet, werd na een zogenaamd onderzoek het briefje in Gozanovs pet gevonden. Het luiddde als volgt: “Beste kameraad B., eindelijk heb ik vernomen datje hier in de stad bent. Zend mij alsjeblieft tien sinaasappelen. Ik heb ze hoog nodig.33 Het briefje was slecht geschreven en vol fouten. Na enige dagen werden wij weer op het kantoor geroepen en moesten allen enige regels schrijven. Maanden gingen voorbij en wij hoorden niets. Al die tijd werden wij beroofd van boeken, van wandelen, enz. Wie het briefje in werkelijkheid geschreven had, wist iedereen, ook het personeel van de gevangenis, maar zij deden alsof het hun niet aanging. Na maanden kwam een van de assistenten bij mij en zei: “Als je het de commandant vraagt, zullen de boeien je worden afgenomen.” Ik waagde de opmerking, dat men ditmaal toch wel heel vlug was geweest met straffen. En hij: “’t Is nog al erg! Vandaag doet hij het jou. Morgen doe jij het hem.” Zo eindigde deze treurige geschiedenis. En in Orel zijn zulke gebeurtenissen maar al te talrijk.
!52