ACHTER EEN DICHTE DEUR
Een jongen lacht achter een dichte deur,
En speelt zijn spel, nu verder dan dichtbij,
Zijn lach licht door mijn smart, ik voel mij vrij Van verre wanhoop en fnuikend getreur.
Tot ik bezin. Weet ik niet meer, waarom.
Ik in dit huis een machtig man verwacht? Omdat men Georges bande in barre nacht,
En ik genade vraag, daarom, daarom.
Gelijk de lach van die knaap was uw lach Georges, mijn makker, en uw blijde jeugd Was moeders trots en menig makkers vreugd.
Tot één u bande en brak uw lied en lach,
Wie zal eens lied en lach van die knaap breken, En hem als u bannen naar barre streken?
153