wij vóór de telefoonkamer in het gelid gezet. De chef van die afdeling kwam op ons toe en vroeg op barse toon, waarom wij daarheen gebracht waren. Ik zei, dat ik het absoluut niet wist.
“Dat lieg je, schoelje,” brulde hij, “jij weet er alles van. Jij hebt geschreven. Jij hebt een brief geschreven.”
“Ik heb niet geschreven... ik weet van niets.”
“Jij zal het zeggen... of wij soms geen middelen hebben om jou te dwingen!”
Hij gaf bevel ons te onderzoeken en ging in de telefoonkamer. Na enige minuten verscheen Annenkov met een groot aantal anderen. Ook hij ging naar de telefoonkamer. De oudste assistent, hoofd van de gehele afdeling, een reus van een kerel, met uitpuilende ogen, kwam op mij af en vroeg, wie van ons die brief geschreven had. Wij antwoordden, dat wij niet geschreven hadden. Hij greep een van de gevangenen bij de keel, drukte hem tegen de muur en begon hem gewoonweg te worgen. Onze kameraad probeerde te schreeuwen, maar zijn stem werd hem gesmoord. Toen op mij af. Ik vroeg van welke brief er toch gesproken werd. In plaats antwoord te geven, sloeg hij mij met het plat van den sabel op de borst en schreeuwde: “Je bloed zal ik drinken.” Hij zag er verschrikkelijk uit, zijn ogen bloederig belopen en hij stonk naar sterke drank.
“Revolutie willen jullie,” dus brulde hij voortdurend: “Ik zal jullie revolutie leren.” Toen verdween hij in de telefoonkamer. Een van ons werd binnengeroepen. Wij konden geen woorden horen, alleen maar een dof gesteun, dat van heel ver scheen te komen. Wij raakten in een spanning van waanzinnige angst. Eindelijk werd onze kameraad als een dood ding de telefoonkamer uitgegooid. De cipier bracht hem in een van de cellen. Toen werd ik binnengeroepen. Een nauwe kring van bewaarders stond om mij heen. De assistent Annenkov hield een papier in zijn hand: “Je hebt verdiend, dat we je ophingen,” zei hij. Ik vroeg “waarom”. “Dat zal je daar zó horen. Antwoord ogenblikkelijk, of ’t zal je beroerd opbreken: Aan wie heb jij deze brief geschreven?” Ik antwoordde: “Wat ik ook zeg, u gelooft het immers toch niet. Maar papiertjes en brieven heb ik niet geschre-
149