een levend lijk geworden. Reeds meer dan vijf maanden lig ik in het ziekenhuis te... en ik word niet beter. Integendeel. Je zoudt me niet meer herkennen. Hoop op beterschap heb ik niet meer. Waarom moet ik sterven zonder jou ooit te hebben weergezien? Waartoe heeft dat gemene woestijnvee mij gebracht! Mijn leven is gebroken. Ik blijf hier tot er plaats is in een inrichting voor zenuwlijders. Misschien kan ik daar nog beter worden. En dan is het goed. Maar als ik toch niet beter word, waarom moet ik dan mijn vernield en treurig bestaan verder rekken? Ik weet maar al te goed, dat ik je niet zal weerzien. Vergeet het niet: in Orel is mijn leven vernield.’
Uit de tweede brief, gericht aan mij zelf, heb ik de mededelingen van vriendschappelijke aard, benevens de gevaarlijke aanduidingen weggelaten.
‘Beste kameraad, onze wederzijdse vriend... heeft mij over uw brief gesproken, waarin gij hem schrijft, dat iemand in een Hollandse courant alles voor leugens heeft uitgemaakt wat geschreven is over de barbaarsheden van nu en vroeger in de Centrale gevangenis te Orel.1 Ik heb daar ongeveer mijn gehele straftijd doorgebracht. Ik heb op mijn rug de gehele heerlijkheid van het Orelse regime gedragen, en zal u voorlopig één voorval beschrijven.
De... januari... is voor mij de vreselijkste dag geweest, die een politiek katorgist ooit beleven kan. Die dag hebben de gevangenbewaarders mij gegeseld, met roeden gegeseld, zonder enige grond of aanleiding mijnerzijds.
Het was op een morgen en ik werkte in die tijd op de weverij. Op het commando: “Er uit. Aan het werk” gingen wij uit onze cellen naar de corridor en stelden ons in twee gelederen op, en wachtten tot men ons afgeteld had. De oudste assistent, die het toezicht had over de werkplaatsen riep mij uit het gelid en beval mij terzijde te gaan. Daar ik mij van niets kwaads bewust was,
147