assistent ging op de bank zitten. Hij genoot van het schouwspel en hij hitste de bewakers nog aan: “Goed zo... goed zo... zó gaat-ie goed... roep jij nou maar je kameraden te hulp... roep dan je kameraden. ”
Ik werd omhoog gegooid en dan weer op de grond gesmakt. Uit mijn neus stroomde bloed. Ik verloor mijn bewustzijn. Later bemerkte ik, dat ze mij naar het privaat brachten en met koud water begoten. Toen verhuisde ik naar beneden. En er verliep geen dag en geen nacht meer, dat ik niet afgeranseld werd. Ik werd ziek, wanhopig. Mijn zenuwen werden mij de baas. Ik kreeg snijdende hartkrampen.
Soms klopte mijn hart, alsof het barsten zou. Ik vroeg medicijnen. “Zo, ben jij ziek? Nou, dan zullen wij jou wel beter maken.” Daarna begonnen ze mij nog erger te slaan. Vooral ’s nachts had ik verschrikkelijk van hun bezoeken te lijden. Er waren nachten, dat ik gegeseld werd, tweemaal, driemaal, tot ik bewusteloos werd. Dan werd ik met koud water overgoten, en eenmaal zelfs met faecaliën. De dood is verkieslijk boven zulk een leven. Ik begon de touwen van de krib los te peuteren. Maar zij bemerkten het en het gevolg was al maar meer slaag. “Beulen,” schreeuwde ik, “schiet mij dan toch dood... maak mij dan toch ineens dood.”
“Neen, donderhond, doodschieten zullen we jou niet en ophangen ook niet. Maar levend hier vandaan kom je óók niet. We zullen jou doodmartelen.”
Aan verkorting van straf dacht ik al niet meer. Mijn enige gedachte was vrij te komen van dit leven, van deze kwellingen. Maar zelfmoord is in Orel zo gemakkelijk niet. De helhonden kennen alle middelen en kijken toe met beide ogen.
Plotseling werd ik op kantoor geroepen. Ik dacht niet anders dan dat ik met de roeden zou worden gegeseld. Maar o, wonder, er werd mij aangezegd, dat ik in verbanning kon gaan. Stel je mijn vreugde voor: verbanning in plaats van geseling. Maar in Orel is alles mogelijk. De volgende dag ging ik op etape. Eindelijk los uit de muren van Orel! Maar helaas: waartoe dient mij de vrijheid. Mijn gezondheid is weg, lichaam en geest. Ik ben
146