ren vernietigde ik mijn dagboek en adressenboekje.
De geheime politie is te Petersburg talrijk en zeer goed georganiseerd. Men heeft mij algemeen verzekerd, dat een groot gedeelte van de duizenden en duizenden huurkoetsiers politiespionnen zijn, benevens een groot deel van het hotelpersoneel. De concierges van de huizen zijn steeds verplicht aan de politie alle inlichtingen te geven, bijvoorbeeld: voor wie een verdacht persoon gekomen is. Tegen een dergelijke organisatie kan niemand op, en zeker geen vreemdeling, die des lands taal niet machtig is. En waarom ook? Ik had niets voor niemand te verbergen. Toch wens ik niet nagegaan te wezen. Dus nam ik nooit een iswoscht-schik dadelijk bij huis. Liet mij nooit brengen waar ik wezen wilde, maar altijd ergens in de buurt in een winkel of een theehuis en ging te voet verder. Maar nietwaar, als de Russische politie tijd en geld te veel heeft, waarom zou ze mij dan niet bespioneren, daar toch iedereen zijn eigen genoegens heeft.
Over de officiële en half-officiële bezoeken, die ik in het belang van mijn gevangen en verbannen vrienden bracht, te schrijven is niet dienstig. Een enkel woord over sommige personen, die in Holland bekend zijn.
Ik noemde reeds Paul Milioukov, vroeger hoogleraar in de geschiedenis te Moskou. Hij heeft zijn behoorlijke tijd in de gevangenis doorgebracht; veel gereisd, conferenties gegeven in Amerika. Thans is hij een van de leiders van de Kadetten, redacteur van hun dagblad Rjesjt. Ik had de heer Milioukov een brief te geven, bovendien inlichtingen te vragen over een Rus, die ik niet vertrouw. De positie van de Kadetten is een moeilijke: de regering vindt hen te vooruitstrevend, de oppositie te weinig revolutionair, gedeeltelijk óók te chauvinistisch, te weinig internationaal.
Later had ik in het gebouw van de rijksdoema een onderhoud met Paul Milioukov en de heer Kerensky, de leider van de travaillisten, die enige dagen te voren geïnterpelleerd had over de mishandelingen in de gevangenissen te Orel. Toen de heer Kerensky een uiteenzetting gaf van de beledigingen en mishandelingen, waaraan de politieke gevangenen bloot stonden, rie
141