En om de wil van mijn dof-snikkend lied,
En om de wil der schoonheid trouw gediend,
Gij machtig man, spaar mijn verbannen vriend, Verwoest de pracht van dit rijk leven niet.
Reis naar Rusland
De vijftiende februari ben ik weer naar Rusland gereisd met de hopeloze hoop iets goeds te bereiken voor de gevangenen in het algemeen en voor sommigen van hen in het bijzonder. Mijn aanbevelingen waren voldoende. De bezwaren bekend. Reeds geruime tijd geleden was ik door een hooggeplaatst persoon te St. Petersburg gewaarschuwd tot voorzichtigheid in mijn brieven, die door de geheime politie werden geopend. Ook van andere, zéér goed ingelichte zijde, werd ik gewaarschuwd. Maar ik moest de zekerheid hebben, dat ik deed wat gedaan kon worden. Door een vergissing van een Russisch regeringsambtenaar kreeg ik de indruk, dat ik de grens niet eens passeren zou. Maar ik passeerde. Een avond. Het was in Rusland nog midden winter. Welk een pracht: de nachtrit over de witte velden, in een tijd toen de maan wassend was. Maar met een hart vervreten van leed, deed ik deze reis. Midden in de nacht stond ik alleen op het stille donkere station te Wilna. Ware toen Georges Dmitrenko daar geweest, Joseph Minor, Paul Sacvarélidzé. Verder, verder. St. Petersburg in de winter is een zeldzame schoonheid. Ik was er niet blind voor, maar ik wil er over zwijgen. De Neva bij de Peters- en Paulsvesting, en de duizenden sleedjes.
Maar ik wist dadelijk, dat er veel verloren was. Mijn inlichtingen waren doorslaand slecht. Verschillende personen, waarvan de politie wist, dat ik hen kende, stonden onder politietoezicht. Meerderen lieten mij verzoeken hen niet te komen bezoeken. Dat ik zelf ten nauwste bewaakt zou worden, leed volgens mijn zegsman, geen twijfel.
Men vraagt zich af: ‘waarom dit alles?’ Intussen werd mijn verblijf in de schone stad St. Petersburg verbitterd en was mijn vertrouwen op welslagen gering. Om niemand te compromitte
140