V
Aan zijne Excellentie de Generaal Djounkovsky
(Dat hij Georges Dmitrenko spare)
Ik kom, een smekeling, die nimmer smeekte In eigen nood, gedreven door het leed Van mijn makker, dat mijn hart wreed vervreet Tot u, die streng zijn stout vergrijpen wreekte.
Nu weet ik goed: niets blijft ons meer dan smeken Want tegen u valt machtloos elke macht Gebroken zijn, die uw macht wilden breken,
Zij sterven traag in ballingschap en nacht.
Laat strijd en streng recht Georges in wrede nood O, man, heersend over maatloze machten Mocht de bee van een dichter u verzachten En redde een knaap van ban en barre dood.
Ik kom tot u: wat is mijn macht? Het klagen Van droever liedren dan ooit een dichter zong.
Uw macht? Die stoute strevers nederdwong En bant waar ook de moedigs ten versagen.
Gij, machtig man, wees voor mijn bede zwakker Dan gij waart voor gewelddadende macht,
Verwoest geen schat van stout verstand en kracht, Betoon genade aan mijn verloren makker.
Want om de wil van zijn teedre jeugd En om de wil van zijn krachtig verstand Verban hem niet naar het gemeden land Vanwaar geen man blij wederkeren heugt.
En om de wil van zijn bedroefde moeder Die dag en nacht een hooploos keren beidt Die schreide tot zij machtloos niet meer schreit Wees niet een wreed wreker, maar zorgzaam hoeder.
*39