Komt er wie om mijn hulp, hart en huis staan hem open Noemt hij uw naam,
Makker is hij, die zijn hart en zijn hopen Eens deelde met u saam.
Maat, lag mijn lied door uw leed dan met stomheid geslagen? Zing ik thans weer,
Wat is mijn lied dan de klacht van uw klagen,
De wraak om uw wreed zeer?
Hier in mijn land luwt de lente en de winter geweken Ruimt stad en veld,
Waar men u bant in haanloze landstreken Moordt nog zijn wild geweld.
Toch: eenmaal toch breekt de ban van uw winter, uw luchten Luwen zo zoet,
Bergen en dalen zien ’t brekend ijs vluchten Voor zachte zonnegloed.
Georges: buig niet uw trots hoofd voor geweld van hun vlagen Draag kloek en beid,
Thans nog de ban van een winter, dan dagen Van een Nieuwe Tijd.
Eenmaal de wraak als een lente na winter zo zalig.
Hun hoon, hun haat
Wreken wij drijvend meer dan duizendmalig Op wrede beul en maat.
138