Lang hunkerde mijn hart naar de teer-trillende spanning, Die ’t lied vaak gaf,
Maar geen zang won ik sinds uwe verbanning Naar een land als een graf.
Sterve mijn lied, wat is zang waard bij ’t waanzinnig zwijgen
Van ’t gruwbaar oord
Waar al uw hoop, uw haten en uw hijgen
In snik worden versmoord.
Zinge mijn lied nog slechts van uw hartenbrekend lijden, Vermijde ik vreugd,
Tot vaste wraak u van ’t juk zal bevrijden,
Dat breekt uw trotse jeugd.
Vriend: door mijn huis speelt van hoog tot laag een kleine makker,
En zingt zijn lied,
Zijne vreugd roept tot een wild wenen wakker Mijn dof-sluimrend verdriet.
Want als die knaap door het huis van uw zorgende moeder, Door vaders veld
Speelde uwe jeugd met de jeugd van uw broeder,
Als gij stoutstrevend held.
Thans kan ik geen vreugd meer zien of uw hartbrekend lijden Grijnst wild tot mij,
Manend mijn hart alle vreugden te mijden Voor haat, wraak en geschrei.
Uw vrienden zijn mijn vrienden en uw wrede vijanden Dreigt haat en smaad.
Lagen van mijn verstand, macht van mijn handen Wijd ik aan uwe zaak.
137