Stil: ver verruist de stad, een storm van leven en van lijden Een mateloze zee,
Gij, goede Broeders, lokt mij beiden Tot veilige vree.
Gij lokt, maar laat ik hem, mijn makker, in het leed verloren, — Wie hulp en baat dan biedt?
Mijn hart heeft zijn hart trouw gezworen,
Ik breek mijn trouw niet.
Eejis had ik hier de keus van tucht en werk of teedre schanden,
Nu tussen vrede en strijd.
Ik kies als toen, mijn hart en handen Zijn mijn maat gewijd.
Ik wend mij, nacht, van uw bekoring tot de felle vlagen Der stad in ’t avondlicht,
Dood, van uw stil-geleide lagen Keer ik tot mijn plicht.
Eens had ik hier de keus, nu blijft, zonder keus, niets dan smeken
Tot hem, eens wreed versmaad,
Dat hij mijn smalen toch niet wreke Op mijn liefste maat.
Ik ga, smekend voor hem, zó needrig als ik nimmer deed,
In eigen ramp of pijn
Meer dan mijn leed voel ik zijn leed,
In ’t hart als venijn.
IV
Vertroosting
Maat, ligt mijn lied door uw leed dan met stomheid geslagen, Zing ik niet meer
Vreugd van mijn droom en drift van mijn dagen In liederen luide of teer?
136