Iedere stap, die mijn moede voeten vallen laten Tussen draf en getred Brengt nader tot de man wiens bate Wellicht Georges redt.
Maar ook, wiens haten hem kan treffen met feller verderven Als niet mijn bede baat.
Wat kiest hij: leven of wreed sterven Voor mijn kameraad.
Te vaster wordt mijn vrees, te wankeler wordt mijn vertrouwen,
Eens heb ik hem gesmaad,
Doet nu zijn wrede wraak berouwen Mijn zwak hart die daad?
En ’k wend mij, Londen, weer, en vlucht verloren in uw menigt Met pijn-vervreten hart.
Waar slaat het hart, dat heilzaam lenigt Mijn koortsende smart?
Elk met zijn eigen haat, zijn hopen, zijn hartstochtlijk woeden Drijft tussen vreemden voort,
Geen bede van droeven of moeden Die Londen verhoort.
Moeder, droever dan één, en armer dan uw allerarmen Vlucht ik in ’t laat gewoel.
En vlucht weer om rust en erbarmen In uw parken koel.
O, nacht vind ik u daar en waar de vijver schoon en stil is Uw lieve broeder Dood,
Gij voert wie mat van wens en wil is Vrij van drift en nood.
135