En wreekt hij nu mijn keus, o, makker, aan uw schuldloos leven,
Of wint hem mijn gebed?
Wat ik weigerde wil ik geven,
Als hij thans u redt.
Ik kom, een smekeling, tot hem, die eenmaal tot mij smeekte, Biedend, wat hij toen vroeg.
Maar als hij smaadde en smalend wreekte,
En u wreder sloeg?
Hem is de macht, die ’t leven maakt en breekt van duizend maten,
Mij blijft niets dan gebed
Dat zijn woord u, van elk verlaten,
Van verbanning redt.
O, Londen, smekeling kom ik, die trots en tartend schouwer Zo vaak uw straten mat.
En, kloek bedrijver, stout betrouwer,
Meer dan één winst had.
Hoe strekt uw weidse Strand stralend onder de avondhemel, Waar ’t laatste licht vergloort,
Hoe kleurig wendt het war gewemel Der duizenden voort.
Ik dwaal der duizend één, maar van de duizenden gescheiden Door ’t eigen vlijmend leed.
Geen wien het hart zulk hevig lijden Om een vriend vervreet.
Kingsway, Piccadilly, Regent Street, elke keer ziet rijker Uw pracht dan ’t heengaan liet,
Maar droeve derver, mat bezwijker,
Zoek ik uw pracht niet.
134