Hoe ligt mijn vrije vreugd met énen slag terneergeslagen,
Geraakt in ’t minnend hart
Bij lange nacht, noch trage dagen
Vergeet ik zijn smart.
Ik vond hem in het nauw van muur en vaste wacht gedreven,
Bedreigd met wrede ban
Naar ’t land vanwaar tot lust en leven
Nimmer keert één man.
Bedreigd toen en thans reeds verloren, zonder hoop verloren, In wilde woestenij,
Waar maat noch moeder mag verhoren Zijn machtloos geschrei.
Wat bond mijn hart aan zijn hart? ik heb niet de macht geweten,
Die makkers binden kan
Vóór mijn hart werd vaneengereten
Om zijn barre ban.
En toen: ik heb de maat van mijne machtloosheid gemeten, Aan hun gemene macht.
Ik heb mijn ogen blind gekreten,
Mijn dag werd een nacht.
Verblind van smart, van haat, door hopeloze hoop gedreven Tijg ik om hulp op tocht En redde ik niet zijn teder leven,
Dat ik sterven mocht.
Eens had ik hier de keus van tucht en werk of teedre schande, Toen heb ik schand gesmaad,
Die kiezen liet houdt thans in handen Het lot van mijn maat.
133