Dus drijft mijn hart een wilde nood,
O, knaap, waar mijn angst helpers vindt Te schutten u voor schouwen dood.
Maar wat kan vriendschap tegen macht Die drijft u uit uw zoet gezin Naar ’t noorden, waar een wrede nacht Ijzig land slaat en ’t ijzig zwin.
Waar lente later dan in mijn land zoete zomer,
Bleek als een herfst met zijn schuw en schaars licht, Vernederd kwijnt, waar gij gebannen dromer Uw droom bedenkt, maar niet beschreit, niet zwicht.
Moet ik u, makker, in ellende laten
Die ik, dat zweer ik, toch niet onverdedigd liet?
Ik zocht voor u naar man en macht en bate,
Verbannen knaap, vinde ik ze niet:
Draag dan trots uw lot en wacht ongebogen Het klare dagen van de Nieuwe Tijd,
Het zoete wonder van uw dromende ogen Bloeit schoner in zijn heerlijkheid.
Ik weet, geen wanhoop zal hun wonder doven,
Geen ban verbreekt uw trots,
Een hoop in onze harten en daarboven Eén hemel Gods.
Meet niet de maten van de wegen, die ons scheiden,
Gij weet de macht van wat mijn hart aan uw hart bindt,
O, knaap, verloren in zo bitter lijden,
Wie breekt een weg waarlangs mijn troost uw droefheid vindt!
in
Door Londen
O, Londen, uw weelde doet mijn lied wanhopig wenen,
Die mij vaak heeft verblijd.
Maar tot heugnis van vreugde is henen,
Nu mijn maat zó lijdt.
132