En dit: geen macht zal mijn liedren beletten Uw trots te loven; mijn lied smeekt mijn God,
Dat Hij zal wreken uw hartbrekend lot Uw heersers neerslaan en hun wet verzetten.
En wat ons scheidt, één hoop heeft ons verbonden, Breuk van uw ban en stoute wederkeer.
En keert gij nooit? Vaarwel, vaarwel, ik zweer U trouw, mijn makker, in diepst leed gevonden.
ii
Door de storm
Wat drijft mijn boot?
Een wilde wind.
Wat drijft mijn hart?
Zijn nood.
O, God, geef, dat ik helpers vind Te schutten voor een schouwen dood.
Voor barre ban, voor carcer zwart Mijn maat, meer dan één maat bemind O, knaap, in zoveel leed gevonden,
Verloren in nog wreder leed,
Hoe sloeg mijn hart tot rauwe wonden U w jammerkreet.
Nu voer ik ban en achterban.
Voor u tot trouwen strijd,
Ik zweer wat vriendschap keren kan Dat uw hart het niet lijdt.
Geen weg te wijd, geen weer te wreed
Op ’t land en over zee
Ik ga tot ieder, die uw leed
Weer voeren kan tot moeders kalmen vree.
Ik smeek voor u gelijk ik nimmer deed In eigen ramp of nood.
Meer dan mijn leed voel ik uw leed,
Uw leven is mijn leven en uw dood is mijne dood. Dus drijft mijn boot Een wilde wind.
I3I