Het land van de Yakoeten: hoort het allen,
Die, gelijk hij, zomer en jeugd genoot,
Daar sterft hij nacht en dag een trage dood Tot wanhoop en verwarde waan vervallen.
Daar zomer? Niet van golvend goud en blauw Bouwt zich een hemel, niet van streek tot streek Draagt de aard zijn oogsten, weiflend wankt en bleek De dag van ochtendgrauw tot avondgrauw.
En winter? Wee, de vloek van elke nacht Spant met de vloek van elk volgenden saam.
Wat scheidt nacht van dag? Niet meer dan een naam. Eén is hun woede en één hun strenge macht.
Ver van vader, ver van broeders en moeder,
Vervalt zijn geest, versluikt zijn krachtig lijf,
In een leeg leven, zonder kloek bedrijf.
Buit voor de vlagen van elk woeste woeder.
Geen weg zou mij te wijd en te wreed wezen Verbannen makker, om tot u te gaan.
Maar die u banden, sperren mij de baan Daar zij ’t aanschouwen van uw schande vrezen.
Vergeet mij niet: als in ’t lichtbrekend Oost Lentezon stijgt, staar ik naar uw streek,
Oostwaarts heen, Oostwaarts, waar uw zon thans bleek De kale schraalten van uw toendra’s troost.
En ’s avonds als gij na de lege dag Moedeloos-moe naar ’t stervend Westen schouwt,
Denk dan aan mij, dien ge eenmaal hebt vertrouwd,
Ik liet niet af, zolang ik zege zag.
En ’s nachts: dit is het heil der vrije dromen,
Hen weert geen ban, geen stroom, geen bar gebied,
Die dagen scheiden, letten nachten niet In schoner ban van dromen saam te komen.
130